OVER AIRBORNE TRANSMISSION, AEROSOLEN, ETC.
In de NRC van 5 juni jl. stond een aardig overzichtsartikel over bovengenoemd onderwerp. Veel ervan is in deze draad al gepasseerd. De foto's en een filmpje bij het artikel zijn afkomstig van de MIT-fysicus Lydia Bourouiba, een link naar haar publicatie heb ik hier al op 12 mei gepost.
Voor hen die geen toegang tot het NRC-artikel hebben, hieronder enkele interessante alinea's over aspecten die in deze draad nog niet uitgebreid aan de orde zijn geweest, plus meer recent commentaar van virologen.
"Verspreidt het coronavirus zich in fijne spreek-, zing- en hoestdruppeltjes? Daarover woedt een hevige discussie. Hoe toon je aan dat een ziekte zich via aerosolen verspreidt?"
Het coronavirus verspreidt zich bij voorkeur op plekken waar grote groepen mensen samen praten, dansen of zingen, de zogeheten superspreading events. En die gebeurtenissen roepen vragen op. Gaat die overdracht via fijne, zwevende druppeltjes uit besmette kelen? En moeten we dan juist wel mondkapjes op of juist niet, is anderhalve meter afstand houden genoeg, moet de airco aan of juist niet?
De WHO en het RIVM gaan er tot nu toe van uit dat de overdracht van het virus hoofdzakelijk gebeurt via de grotere druppels die vrijkomen bij hoesten, niezen en praten. Die druppels vallen binnen anderhalve meter op de grond of op oppervlakken. Een geïnfecteerde die met iemand anders praat, kan diegene besmetten doordat die druppels in zijn mond of keel belanden. Daarnaast kunnen besmette druppels direct, of indirect via deurklinken, tafels en lichtknopjes, op de vingers van een ander terecht komen en diegene infecteren.
Een derde manier van overdracht is via kleine druppeltjes uit de luchtwegen, zogenoemde aerosolen. Zulke besmettelijke aerosolen komen vooral vrij bij medische handelingen met patiënten, zoals het aanbrengen van een beademingsapparaat. Er is geen duidelijk bewijs dat het virus zich in die fijne druppeltjes over grotere afstand via de lucht kan verspreiden, stellen de gezondheidsorganisaties.
Maar daarover woedt een flinke discussie. De Amerikaanse academie van wetenschappen ziet aanwijzingen dat aerosolverspreiding een bijdrage kan leveren. En voor de Italiaanse microbioloog Andrea Crisanti van de universiteit van Padua staat het ook als een paal boven water. „Dit is duidelijk een airborne ziekte”, zegt hij in een videogesprek. „Het verspreidt zich zeker via druppeltjes, zowel via grote als kleine druppels. Daar zijn veel experimentele bewijzen voor.”
„De Amerikaan William Wells maakte in de jaren 30 een tweedeling: druppels kleiner dan 5 micrometer doorsnede, en grotere druppels”, zegt Detlef Lohse, hoogleraar vloeistoffysica in Twente. „De kleine druppels verdampen lang voordat ze iemand hebben kunnen bereiken, was zijn argument. De grote druppels vallen binnen 1,5 meter op de grond. Maar in feite is het niet zwart-wit, het is een continuüm. De verdeling van die druppels, hun dichtheid en hun grootte, verandert in de loop van de tijd en hangt af van de omstandigheden, zoals de relatieve vochtigheid. De grotere druppels kunnen deels verdampen, de kleinere kunnen botsen met elkaar. Die dynamica in beeld te krijgen is wel ingewikkeld.”
Lydia Bourouiba van het Massachusetts Institute of Technology is dat gelukt. Haar experimenten laten duidelijk zien dat die druppels, ook de kleine, veel verder kwamen en veel langer intact blijven dan Wells aannam. Ze komen tot 8 meter en blijven minutenlang hangen in plaats van minder dan een seconde. „Dat komt doordat die druppeltjes in warme, vochtige lucht worden uitgeademd, in een beschermende wolk van andere druppels. Daardoor gaat de verdamping langzamer dan gedacht”, zegt Lohse.
De Amsterdamse fysicus Daniel Bonn liet onlangs de verdeling van de druppels zien. Wanneer een proefpersoon kuchte kwamen zowel grote druppels vrij (100 tot 1000 micrometer) als grote aantallen kleine (1 tot 10 micrometer). Als iemand sprak, zag Bonn vooral de fijne druppeltjes. In een ruimte waarin een raam en een deur tegen elkaar waren opengezet, was het aantal fijne druppeltjes na dertig seconden gehalveerd, maar zonder ventilatie duurde dat vijf minuten.
„Meer dan 95 procent van de vloeistof zit in de grote druppels”, beaamt Bonn. „Het meeste virus zou inderdaad in de grote druppels kunnen zitten.”
De fysica-experimenten laten zien dat er druppeltjes vrijkomen als iemand praat, schreeuwt, zingt of niest. Maar ze vertellen niet of er coronavirus in die fijne druppeltjes kan zitten en of dat nog leeft, zegt viroloog Ron Fouchier van het Erasmus MC. Dat aantonen is lastig. „Deeltjes van 0,1 tot 5 micrometer kun je bijna niet opvangen, en de meeste methoden die dat wel doen inactiveren het virus.” Druppeltjes opvangen en kijken of er erfelijk materiaal aanwezig is lukt nog wel, maar bepalen of het infectieus is, is lastig. We zijn er al tien jaar mee bezig voor griep.” En dan is er nog de vraag hoeveel virus je moet binnenkrijgen om besmet te raken, de infectieuze dosis. Dat is niet bekend voor dit coronavirus.
Een belangrijke aanwijzing voor de overdracht komt van de al bekende coronavirussen. Fouchier: „Van griepvirussen weten we dat ze bijna allemaal airborne zijn bij mensen. Van alle andere coronavirussen, ook de onschuldige winterversies en sars en mers, weten we dat ze juist hoofdzakelijk via direct en indirect contact worden overgedragen.”
Net als bij sars en mers wordt ook SARS-CoV-2 in studies een enkele keer teruggevonden in luchtmonsters in ziekenhuizen. „Maar nog niemand heeft laten zien dat het dan infectieus is”, zegt Fouchier. Dat beaamt epidemioloog Hans Heesterbeek van de Universiteit Utrecht, die gespecialiseerd is in de dynamiek van infectieziekten. „Bepalen wat de relatieve bijdrage is van de drie manieren van besmetting, is ook erg lastig”, zegt hij. „Epidemiologisch kan dat alleen indirect, aan de hand van een gebeurtenis waar duidelijk een groep mensen is besmet. Die moet je dan heel nauwkeurig in kaart brengen: wie hadden op welke manieren contact met elkaar, hoe waren de omstandigheden?..."