D66 is als een boom die echt weg moet
PlusTheodor Holman
1 FEBRUARI 2021
Sigrid Kaag lijkt op een prinsesje dat door de D66-slaafdragers van haar draagstoel door het verkeerde land wordt rondgedragen.
“Wie zijn die mensjes hier?”
“Nederlanders, mevrouw Kaag.”
Het is altijd enigszins het probleem van D66 geweest; ze kiezen als hun voorman iemand die voor en na hun actieve Haagse loopbaan werd gewaardeerd, maar eigenlijk nooit tijdens. Hans van Mierlo, Jan Terlouw, Alexander Pechtold, om er maar een paar te noemen, leken altijd op verkopers in een herenmodezaak in een middelgrote gemeente. Ze schetsten kleine vergezichtjes die ze mooi over hun mouw gedrapeerd aan de klant toonden, maar onmiddellijk in de uitverkoop gooiden om in het gevlei te komen bij de burgemeester. Wie associeert D66 nog met hun twee pijlers: het referendum en democratische vernieuwing?
Mij viel altijd op dat het een partij was van sprankjes. Ze beloofden een sprankje hoop, een sprankje vernieuwing, hun lijsttrekkers hadden een sprankje talent, hun ideeën leken soms een sprankje licht te suggereren. En in plaats van de mode te maken, liepen ze achter de mode aan.
Al leggen ze het nog eens duizend keer uit waar D66 voor staat, je blijft een middenklasser zien met een vast stuur en een te hoge prijs.
Waar heb je, behalve om een coalitie te kunnen vormen, D66 eigenlijk nog voor nodig?
Kaag heeft niet de strijdvaardigheid van een Lilian Marijnissen of een Lilianne Ploumen, niet de communicatieve eigenschappen van een Mark Rutte, niet de uitstraling van degelijkheid van een Wopke Hoekstra, of het gepassioneerde christelijke imago van een Gert-Jan Segers. Het hangt er allemaal tussen in. Een schuimrubberen klepel in een klok. Als D66 er niet was, zou je het niet missen, maar nu het er wel is, heb je het niet nodig.
De geschiedenis van de partij is interessanter dan haar toekomst ooit zal worden. De D66 ideologie, voor zover die bestond, is leeggevreten door de anderen en bestaat nu nog uit wat verknipte krantencommentaren, geplakt in een oude agenda.
En toch vervult me dat met een vorm van weemoed.
Ik gun ze wel wat, maar meer uit sentimentele redenen dan om andere. Zoals je het erg vond toen er een oude boom in het park werd gekapt. “Ach, daar heb ik nog met mijn ouders langsgelopen.” Maar die boom moest weg. Er zat rot in de stam en het gevaar bestond dat hij zomaar zou omvallen.
“Kappen!” zei men verdrietig, maar verstandig.